1926: een jaar van ‘hoopvolle verwachtingen’ geplaagd door ‘kinderziektes’

Nummer 19 van het vijfde volume van het VTB-bondsblad (1 oktober 1926) opende met een opvallende mededeling van hoofdredacteur Stan Leurs aan de abonnees: ‘Na geruimen tijd geschorst te zijn geweest, – euvel waarvoor de Bond niet aansprakelijk kan gesteld worden! – verschijnt ons orgaan met dit nummer opnieuw.’ Leurs maakte vervolgens de belofte aan de lezende leden dat ‘van nu af zal het stipt, op de gewone data, de leden bereiken.’[1]

Nummer 19 – en Leurs’ belofte – moeten als een aangename verrassing in de bus van de VTB’ers zijn gevallen: de leden hadden immers een lange tijd op een nieuw nummer van het tijdschrift moeten wachten, aangezien nrs.14 tot en met 18 niet tot bij de drukker waren geraakt, en dus ook nooit zijn gepubliceerd.[2]

Maar dat was niet het enige wat in het oog sprong. Het bondsblad had ook een nieuwe titel gekregen, en werd vanaf heden niet meer gepubliceerd als De Toerist, maar Toerisme. Het hoofdbestuur benadrukte daarenboven haar drang om het bondsblad in een nieuw jasje te steken door een prijskamp uit te schrijven voor tekenaars om een nieuw omslaghoofd voor het blad uit te werken (de winnaar kreeg een prijs van 250 frank). Het winnende voorstel dat voor de eerste keer op het voorblad van het tijdschrift verscheen in januari 1927 zou uiteindelijk maar vijf jaar op de eerste pagina van het bondsblad prijken: het werd in 1932 vervangen door een nieuwe vormgeving om het tienjarig bestaan van de bond in de kijker te zetten, en het tijdschrift er (althans volgens de redactie) ‘frisscher [te doen] uitzien’.

Het winnende voorstel voor een nieuw omslaghoofd zou voor de eerste keer op 1-1-1927 bovenaan Toerisme prijken.

Naast de prijsvraag voor tekenaars richtte de redactie nog een tweede vraag in die een tipje van de sluier oplicht waarom de VTB precies in 1926 een vernieuwingsactie van haar tijdschrift in gang had gezet. De vereniging riep immers ook drukkers op om voorstellen in te dienen, aangezien het bestuur voor ogen had om ‘het drukken van Toerisme voor een bepaalde tijdsspanne’ vast toe te wijzen aan een bepaalde drukkerij.[3]

De zoektocht naar een nieuwe drukker kwam niet uit de lucht gevallen. Het jarenlange dispuut tussen de VTB en drukkerij Liberas (met de steeds terugkerende klacht dat de uitgave van het blad onverzorgd was en geregeld te laat in de bus van de leden viel) had uiteindelijk geleid tot een rechtszaak tussen de twee, wat ook de reden was voor de tijdelijke opschorting van het tijdschrift. De groeiende vete tussen de drukker en de VTB had bovendien een jaar eerder al gezorgd voor de exit van een van de drie stichtende leden van de VTB en beheerder van Liberas, Chris de Does, uit het bestuur van de organisatie.

Het juridisch dispuut tussen De Does en de VTB in 1926 (uiteindelijk maar een kleine voetnoot in de lange geschiedenis van de bond) is emblematisch voor de beginjaren van de toeristische vereniging. Want ondanks de exponentiële groei van het ledenaantal was de organisatie van de vereniging in de beginjaren veelal chaotisch verlopen. Archiefdoos A154 (die de (algemene) bestuursvergaderingen tussen 1922 en 1932 bewaart) schept een beeld van een vereniging die in haar beginjaren nog volop op zoek was naar een identiteit: Jozef Goossenaerts kantte zich bijvoorbeeld tegen het idee om veel (bonds)reizen in te richten, omdat, zo oordeelde hij, ‘het nieuwtje van deze gelegenheden na zekere tijd niet de noodige aantrekkelijkheid zal behouden.’[4]

Naast interne discussies over hoe precies de VTB haar kerntaken zou uitvoeren – wat precies betekende de ‘T’ in VTB? – toont de archiefdoos bovenal de verschillende moeilijkheden waarmee de organisatie in het begin werd geconfronteerd. De vele ambities die de VTB bij haar ontstaan had uitgesproken – o.m. natuurbescherming, bondsreizen, en de uitbouw van een toeristische infrastructuur in Vlaanderen – bleken in de praktijk moeilijker van de grond te komen dan initieel gedacht. Het leidde tot een constante stoelendans in het bestuur, met de vaak terugkomende klacht dat de hoeveelheid uren die aan de VTB besteed moest worden niet te rijmen viel met andere bezigheden: velen hadden blijkbaar onderschat hoe intensief de uitbouw van een Vlaamse toeristische organisatie was. Daarenboven had de exponentiële groei van het ledenaantal al snel tot een tekort aan werkkrachten geleid. De eerste secretaris van de VTB, Frans Luyten, kaartte geregeld de problematiek van zowel personeels- als ruimtetekort aan: de enorme ‘toevloed van nieuwe leden’ betekende dat ‘de briefwisseling in verhouding steeg’ en Luyten en het secretariaat geregeld ‘buitengewoon zware maanden’ hadden meegemaakt. Het moet daarom niet verbazen dat Luyten zich tijdens de vergaderingen meermaals liet ontvallen dat hij het liefst zijn post naast zich wilde neerleggen (zo meldde de bestuursvergadering al in 1922 dat de ‘secretaris [Luyten] wenscht bepaald ontslag te nemen’).[5]

Maar ondanks de perikelen binnenshuis toonde de VTB zich in deze periode steeds ambitieus naar de buitenwereld en stelde ze haar doelen nog eens op scherp. Met veel fanfare kondigde de vereniging in 1924 de oprichting (onder ‘bescherming van de VTB’) van de allereerste Vlaamse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer (in de Kempen) aan.[6] Een jaar later maakte ze plannen op om verschillende commissies op te richten (waaronder ‘monumentenzorg’ en ‘folklore’), en stelde ze in het bestuur haar ambitieus plan voor om het gebrek aan werkruimte op te lossen: de aankoop van een eigen ‘VTB-huis’ via de inrichting van een steunfonds. Door de hoeveelheid van vooruitzichten en plannen kondigde het jaar 1926 zichzelf volgens Stan Leurs daarom aan als een jaar vol ‘hoopvolle verwachtingen’ dat de voorgaande perikelen zou verhelpen.

Het draaide uiteindelijk anders uit: het was niet het jaar van ‘hoopvolle verwachtingen’ zoals Leurs eerst beoogde, maar van ‘kinderziekte’. De vereniging verloor eerst en vooral haar ‘koenen werker […] die dagen en nachten offerde voor het heil en bloei van den Bond’: Luyten had in 1926 genoeg gezien, en diende zijn ontslag in als algemene secretaris. De verschillende commissies kwamen zeer traag van de grond (enkel ‘monumentenzorg’, in 1925 opgericht, leek een snelle vlucht te nemen). De bondsreizen die waren georganiseerd – en gepromoot via de fascinerende brochure Houdt u van reizen? (mogelijk de eerste reisbrochure ooit door de VTB gepubliceerd) – hadden de vereniging met een financiële kater opgezadeld. Daarenboven hadden de ambities van de VTB een deuk gekregen door de vermindering van de provinciale subsidies, en had de aankoop van een eigen ‘VTB-huis’ mede daardoor vertraging opgelopen. En dit alles werd ten slotte nog overschaduwd door het juridisch dispuut tussen de vereniging en haar uitgeverij, waardoor het bondsblad, zoals eerder aangehaald, tijdelijk opgeschorst moest worden.

Ondanks de tegenvallende resultaten vormt het ‘jaar van de kinderziekte’ een spilmoment in de vroege geschiedenis van de VTB: de perikelen van de eerste jaren – die uiteindelijk hun hoogtepunt kenden in 1926 – leidden immers tot een hervorming van het bestuur van de vereniging. Op basis van de voorgaande ervaringen werd er in 1927 geoordeeld dat een hervorming en centralisatie van zowel het algemeen als het dagelijkse bestuur essentieel was. Op aangeven van toekomstig voorzitter Jozef van Overstraeten werd de stoelendans van het algemeen bestuur aangepakt door niet enkel ‘vooraanstaande Vlamingen’ (die, zoals de eerste jaren toonden, niet altijd tijd of belangstelling hadden) toe te laten, maar ook ‘personen die reeds een tijdje aktief medewerker zijn en dus bewezen hebben op hun plaats te zijn in de [algemene bondsleiding].’[7] Op die manier ontstond er een nieuwe sociale mobiliteit in de vereniging, hetgeen ijverige of ambitieuze lokale vertegenwoordigers kon aanmoedigen of inspireren, aangezien er een mogelijke positie in het nationale bestuur in het verschiet lag.

Daarnaast werden de bevoegdheden van de verschillende leden van het dagelijkse bestuur geherdefinieerd en op scherp gezet. Een opvallende evolutie hierin was de hervorming van het statuut van de algemene secretaris (na het ontslag van Luyten in 1926 had Leurs de positie overgenomen), die een belangrijkere rol toebedeeld kreeg: hij werd ‘verantwoordelijk voor alle gedrukte documenten uitgaande van de bond’, werd ‘leider van het personeel’, kreeg het ‘archief, de bibliotheek en de documentatie’ van de vereniging in handen, en werd op dezelfde voet geplaatst als de voorzitter als ‘vertegenwoordiger’ van de VTB. De algemene secretaris werd daardoor een van de belangrijkste (en machtigste) figuren in de VTB, en zorgde ervoor dat het dagelijkse bestuur meer gecentraliseerd was geworden.

Op lange termijn zouden deze hervormingen nog geregeld tot wrevel en botsingen leidden tussen het personeel/leden en het dagelijkse bestuur, maar op korte termijn (althans voor de rest van de tussenoorlogse periode) leek het euvel van de ‘kinderziekte’ verholpen te zijn geweest. Dit werd misschien het mooiste in de verf gezet door de totstandkoming van het eigen ‘VTB-huis’: op het einde van 1926 was de vereniging er immers in geslaagd om een pand aan te kopen op de Paardenmarkt nr.70: het ‘VTB-huis’ zou voor een tiental jaar (tot ze verhuisden naar haar gekende locatie op de Sint-Jacobsmarkt) dé plaats worden van waaruit de VTB haar ambitieuze doelen in de realiteit wilde omzetten.

Gelet op de verschillende omstandigheden en moeilijkheden die in 1926 samenkwamen, vormt het ‘jaar van de kinderziekte’ volgens mij een cruciaal moment in de vroege geschiedenis van de VTB. Enerzijds legt het de perikelen van de beginjaren bloot, maar anderzijds geeft het ook een verklaring voor de hervormingen in het bestuur die voor jaar en dag het reilen en zeilen van de toeristische vereniging zouden bepalen.  


[1] Stan Leurs, ‘Aan de leden’, Toerisme 5/19 (1-10-1926), p.305.

[2] Het opschorten van het bondsblad in 1926 is echter geen unicum in de lange geschiedenis van de VTB: het zou zich nog tweemaal voordoen in 1940 en 1944.

[3] S.n., ‘Prijsvraag aan de drukkers’, Toerisme 5/22 (15-11-1926), p.385.

[4] A154, Bestuursvergadering 14-9-1924

[5] A154, Bestuursvergadering

[6] Kempenaar, ‘Stichting van een Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer in de Kempen onder bescherming van V.T.B’ De Toerist 3/23 (1-12-1924), p.210-211

[7] A154, Algemene Bestuursvergadering 9-10-1927

Een deel van de bronnen die werden gebruikt voor dit stuk kun je hieronder raadplegen:

Een levende steen

Vorig jaar had ik me naar aanleiding van de Erfgoeddag verdiept in de materie rond de dynamitering van de IJzertoren in 1946. Tijdens dit onderzoek (uiteindelijk uitgemond in een kleine bijdrage in ADVN-Mededelingen en een online lezing op een internationaal congres) stootte ik op een opvallend opiniestuk in De Nieuwe Standaard van de oud-vicerector van de KU Leuven, Karel Cruysberghs. Cruysberghs veroordeelde de dynamitering ten strengste, maar gaf tegelijkertijd aan dat de poging uiteindelijk op een mislukking was uitgedraaid. De brokstukken van de IJzertoren vormden volgens de oud-vicerector immers ‘levende stenen’ die ook na de dynamitering bleven voortbestaan.

‘Levende stenen’ is een intrigerende metafoor voor de context rond de IJzertoren: het geeft onmiddellijk aan dat een monument steeds onderhevig is aan interpretatie(s). Het impliceert bijgevolg ook dat naargelang de context verandert de betekenis die aan de stenen wordt gegeven kan veranderen, of gewoonweg verdwijnen (een ‘levende’ steen kan op een bepaald moment ‘sterven’).

Maar ‘levende stenen’ – zo heb ik geleerd na een uitzonderlijke vondst in het VTB-archief – is niet alleen een passende beeldspraak voor de dynamitering van de IJzertoren: de foto’s hierbij toegevoegd zijn een fascinerend voorbeeld van hoe de stenen ook letterlijk een nieuw leven konden krijgen. De foto’s illustreren immers een brokstuk van de gedynamiteerde IJzertoren, met het VTB-logo daarop prominent aanwezig. Het was in 1972 door het IJzerbedevaartcomité aan de VTB geschonken, als dank voor de vele steun van de VTB doorheen de decennia.

De VTB was op twee vlakken een belangrijke steunpilaar geweest voor het comité. Ten eerste had de VTB als toeristische vereniging een cruciale rol gespeeld in de massificatie van de IJzerbedevaarten. De VTB wilde immers via toerisme een wezenlijke rol spelen in de vorming van een Vlaamse identiteit. Dit kunnen we direct terugkoppelen aan het brokstuk: na wat speurwerk – en mede dankzij het beeldmateriaal hierbij toegevoegd – is het duidelijk geworden dat het overgeleverd stuk onderdeel was van de oriëntatietafel die de VTB al in 1934 had geplaatst op de IJzertoren. Het is bijgevolg een fascinerend voorbeeld van hoe de VTB via haar toeristische werking een bijdrage wilde leveren aan de bredere Vlaamse beweging.

Dit deed ze, ten tweede, ook via financiële middelen. Het document hierbij toegevoegd is een ‘blijvende dankbare herinnering’ van het IJzerbedevaartcomité aan de VTB voor haar bijdrage van meer dan 100.000fr. voor de heropbouw van de IJzertoren. Het benadrukt de verwevenheid tussen de IJzertoren en de VTB doorheen de laatste eeuw, en verklaart ook mede waarom het brokstuk van de eerste VTB-oriëntatietafel een nieuw leven werd geschonken.

Het is ten slotte ook geweldig om vast te stellen dat de steen uiteindelijk nog een ‘derde leven’ heeft gekregen: ze is immers nu een van de meest unieke stukken die via de overdracht van het VTB-archief aan het ADVN een plaats heeft gekregen in het archief![1]

Filmpje over de eerste VTB-oriëntatietafel die in 1934 op de IJzertoren werd geplaatst. Als je goed kijkt zie je hetzelfde VTB-logo van het brokstuk terug op de oriëntatietafel. In de jaren 1960 zou de VTB een nieuwe oriëntatietafel schenken aan de IJzertoren.

[1] Een speciale dankjewel aan Peter Verplancke van het Museum aan de IJzer die de suggestie had gemaakt dat het brokstuk mogelijk afkomstig was van de eerste VTB-oriëntatietafel!

Een speciale bron voor een webexpo

Recent heeft het ADVN de nieuwe webexpo Vergeet je knapzak en fietsvlag niet! gelanceerd over de VTB-fietscultuur in de periode na de Eerste Wereldoorlog. De online tentoonstelling presenteert het belang van de fiets voor de toeristische vereniging en doet dit aan de hand van een unieke bron: een overgeleverd schrift van VTB-reisleiders over de tochten die de afdeling had ondernomen tijdens het jaar 1937.

Er waren wel nog wat vraagtekens bij het schriftje: in de eerste plaats moest er achterhaald worden aan welke afdeling de bron toebehoorde, en wie dus de fietstochtjes had georganiseerd. Vermelding van de reisleiders’ familienaam en adres in de bron bracht al snel soelaas: het waren reisleiders van de VTB-afdeling Groot Antwerpen. We kunnen dit bevestigen aan de hand van een andere bron die van belang was voor de expo: het bewaarde jaarboek van de afdeling Groot-Antwerpen uit 1936 dat melding maakt van alle drie reisleiders.

ADVN VTB A1011: de voorpagina van het verslagboekje van de reisleiders van de afdeling Groot-Antwerpen uit 1937

Het jaarboek is een intrigerende bron, omdat het een beeld schetst van de regels die gevolgd moesten worden tijdens de fietstocht. Er waren zowel “algemene inlichtingen” als “bijzondere inlichtingen voor deelnemers aan fietstochten”.  De algemene inlichtingen beperkten zich vooral tot pragmatische aangelegenheden: “een inschrijving is alleen geldig wanneer het bedrag gestort is”, “wees steeds op tijd bij het vertrek”, en vanzelfsprekend: “een V.T.B.’er vergeet nooit zijn goed humeur.”

De bijzondere inlichtingen daarentegen, naast vanzelfsprekende praktische info zoals in het bezit zijn van “een degelijke fiets in goeden staat” met “goede banden, vóór- en achterlicht, herstelgerief, 2 goede remmen en fietsvlag”, schetst een beeld van hoe zo een tochtje precies verliep. Zo bestond de groep steeds uit een “voor- en achterleider” die de afbakening van de groep garandeerden, en “hulpvaardigheid” konden aanbieden indien nodig.

ADVN VB8087: Voorpagina van het jaarboek van de VTB-afdeling Groot-Antwerpen uit 1936.

Het opvallendste uit de specifieke inlichtingen echter is de vermelding van de “fluitsignalen” die door de leiders werden gegeven om “het ordelijk verloop van den tocht” te garanderen en tot meer veiligheid van de deelnemers” moesten leiden. Een “langgerekte noot (–)” was bijvoorbeeld de “verwittiging tot vertrek (inpakken, fiets nazien, enz.)”, een “korte stoot (-)” het signaal om “rechts [te] houden (ontdubbelen)”, en “vijf korte stooten (- – – – -)” een algemene oproep om te vertragen.

De fluitsignalen bevestigen het beeld dat tot nu toe uit het onderzoek naar de (vooroorlogse) VTB is ontstaan. Zoals uit het doctoraat van Bruno Notteboom blijkt, was een van de primaire doelstellingen van de VTB tijdens haar beginjaren educatief-pedagogisch, waaraan een “uitgesproken disciplinaire doelstelling werd gekoppeld”.[1] We kunnen de fluitsignalen en haar gebruik voor het “ordelijk verloop” in dit daglicht plaatsen als een kleine indicatie van de nadruk die de VTB tijdens deze periode legde op orde en tucht.

Het belang van het schriftje is echter dat het ons in staat stelt dit beeld ietwat te nuanceren. Aan de ene kant krijgen we inderdaad een bevestiging van de disciplinaire insteek, voornamelijk vanuit het perspectief van de reisleiders (in het bijzonder van de hoofdleider van de tochtjes, de lokale VTB-vertegenwoordiger Jean Mulleman).

Mulleman doet immers geregeld zijn beklag in het schriftje dat de regels niet nauwkeurig worden gevolgd, en bijgevolg vaak “terechtwijzingen” en “verwittigingen” moest geven aan deelnemers. Op een bepaald moment is er zelfs een bepaalde kliek (de “kliek Somers” uit Brasschaat) die zich van de groep afsplitst om op eigen houtje richting Tilburg te fietsen.

De “moedwilligen”, zoals Mulleman de kliek omschreef, illustreren echter hoe complex de fietstochtjes in de realiteit waren. De beschrijvingen, voorschriften en inlichtingen uit de gepubliceerde documenten geven immers maar een deel van het plaatje weer: Mullemans persoonlijke klachten tonen aan dat niet iedereen even tuk was op de voorgeschreven orde en tucht, en dat de pedagogische doeleinden ook niet altijd het gewenste effect behaalden.

Dat is naar mijn gevoel waarom het schriftje zo belangrijk is: het stelt ons immers in staat om de sociale complexiteit van de fietstochten beter in kaart te brengen en verschillende soorten fietsers (en breder: VTB’ers) uit die periode te typeren. Het schriftje illustreert hoe een op het eerste zicht banale activiteit zoals fietsen een gelaagde gebeurtenis is, waarbij we rekening moeten houden met de aanwezigheid van verschillende factoren. Het is daarom een mooi voorbeeld van de fascinerende geschiedenis van zowel de vereniging als de algemene geschiedenis van toerisme in de laatste honderd jaar.


[1] B. Notteboom, ‘Ouvrons les yeux!’ Stedenbouw en beeldvorming van het landschap in België, 1890-1940 (doctorale thesis, Universiteit Gent, 2009), 317.

Een deel van de bronnen die werden gebruikt voor dit stuk kun je hieronder raadplegen:

9 juni 1921: een groep “aanpakkers” komt samen in de Zingende Molens

Het klinkt misschien als een platitude, maar historische gebeurtenissen vinden zelden plaats op ‘historische’ locaties. Het startschot voor de totstandkoming van de VTB werd dan ook niet gegeven in een koninklijke zaal, schouwburg of andere grootse locatie, maar in de gemoedelijke gezelligheid van een lokaal Antwerps café op de hoek van het Statieplein (het huidige Koningin Astridplein) en de Gemeentestraat, De Zingende Molens.

Het begon allemaal met een klein berichtje dat op 4 juni 1921 in De Standaard werd gepubliceerd: de oproep “Naar een Vlaamschen Toeristenbond” deelde aan het Vlaamse leespubliek mee dat een “kleine kern van overtuigden – een drietal” de taak op zich had genomen om een Vlaamse toeristische vereniging te stichten. Het riep geïnteresseerden op om vijf dagen later te verzamelen in De Zingende Molens, en stelde een simpel doel voorop: “dat ieder die meent, op welke wijze en in welke mate dan ook, te kunnen bijdragen tot de oprichting van een V.T.B. zich dus nog heden aanmelde en ditmaal eens niet zegge: ‘dat het zonder hem ook wel zal gaan’.”[1]

De drie tenoren, de jonge ingenieur (Con)Stan(t) Leurs, de in Brussel wonende Nederlandse uitgever Chris de Does, en de Antwerpse stadsbediende Frits Henderickx, hadden voor hun oproep in De Standaard al uitvoerig de plannen besproken, en een deel van die conversaties wordt nog altijd bewaard in de collectie, in de toepasselijk genummerde archiefdoos A1.

In het bijzonder krijgen we ook een blik op de acties die Frits Henderickx – de, zoals we later zullen zien, ‘pessimist’ van het drietal – enkele jaren voordien al had ondernomen om een toeristische vereniging te stichten. Henderickx was immers lid van de Antwerpse tak van het Vlaams-nationalistische Vlaamsche Front (Frontpartij), en zag in de eerste plaats heil om in de schoot van de partij een toeristische afdeling op te richten.

De partij was het plan genegen, en op 27 juni 1919 vond een bureelvergadering plaats die zich boog over de materie en het voorstel van Henderickx goedkeurde. Met frisse moed wendde Henderickx zich tot zijn taak, maar kreeg al snel een slag van de hamer: de twee fietstochten die hij inrichtte om het veld af te toetsen brachten zo goed als niemand op de been. Daarenboven zorgde zijn aankomende dienstplicht ervoor dat hij spoedig alle plannen moest staken.

Henderickx’s mislukte poging had echter de kiem gelegd voor later succes: de bureelvergadering maakte immers ook melding van een bericht dat op 29 juni in het partijblad Ons Vaderland gepubliceerd zou worden. De oproep herinnerde de lezer aan voorgaande (gefaalde) pogingen om een Vlaamse toeristische vereniging te stichten, en zag het vooral als een noodzaak om zich te keren tegen de invloed van “den franskiljonschen Touring Club de Belgique”. Het bericht eindige zijn pleidooi voor een stichting met de oproep dat “wie de noodzakelijkheid van de oprichting van den Vlaamschen Wielrijders en Toeristenbond gevoelt en mede wil werken aan dit schoone doel, zende zijn betuiging van instemming aan den Boekhandel ‘Libertas’.”

Hoewel Henderickx kritisch stond tegenover het bericht – hij meende immers dat voorstellen die de Touring Club de Belgique (TCB) als “hoeksteen van hun betoog” namen, gedoemd waren te mislukken – stuurde hij op 1 juli een berichtje naar de boekhandel, en stelde zich niet veel later (niet toevallig na de twee mislukte fietstochten) “gaarne bereid naar mijn vermogen bij te dragen tot de werkzaamheden.” De eerste link met zijn medetenor, Chris de Does, was daarmee tot stand gekomen. De briefwisseling zou echter van korte duur zijn: Henderickx’s dienstplicht stopte al snel de conversatie tussen de twee.

Twee jaar lang zou er radiostilte zijn. De Does was in die tijd wel in contact gekomen met de derde tenor – Stan Leurs – maar, zoals hij later zelf toegaf in een brief aan Henderickx, concrete plannen hadden ze nog niet gevormd.

Na 13 april 1921 zou alles echter in een stroomversnelling komen. De voorzitter van het Vlaamsche Front, Herman Van Puymbroeck, meldde op die dag aan Henderickx dat hij een uitvoerige conversatie met Leurs had gehad over toerisme, en daarbij ook de naam van Henderickx had laten vallen. Van Puymbroeck – die later ook zou toetreden tot de VTB – spoorde zijn partijgenoot aan om contact op te nemen met Leurs om te zien wat er allemaal gedaan kon worden.

Henderickx sprong onmiddellijk in actie: hij contacteerde Leurs op 18 april, en had negen dagen later al een afspraak met de ingenieur om van gedachten te wisselen. Niet veel later zond Henderickx ook een berichtje naar De Does, en deed hem herinneren aan de “paar brieven [die ik] met u heb gewisseld” twee jaar eerder. De Does was de brieven duidelijk niet vergeten: hij sloot zich direct aan bij het tweetal. Hoewel het maar een kleine groep was, was het optimisme om de stichting van een toeristenbond tot een goed einde te brengen hoog. Zo ook bij Henderickx: “Staan we dus voorlopig enkel met z’n drieën, dan maar met z’n drieën voorwaarts!”

Er volgde echter al snel een discussie over wat de volgende stap moest zijn: Henderickx was een voorstander om achter gesloten deuren het werk rustig verder te zetten. Hij meende immers dat er “vooreerst niet meer mensen bij het opzet betrokken moeten zijn, dan nodig om daadwerkelijk de voorbereidende organisatie te beramen en tot stand te brengen. Als de Vl.T.B. er staat, dan eerst moet tot het publiek gegaan, eerder niet.” Of anders geformuleerd: “Presies zoals men tot z’n gasten zegt: Treedt binnen, dames en heren, de tafel is gedekt.”

De Does aan de andere kant was wél een voorstander van de publieke route: hij meende dat het nodig was om zoveel mogelijk “’aanpakkers’ bij elkaar te krijgen en de wagen aan het rollen te brengen. Het wordt nu ook tijd!”. Een bijeenkomst in Antwerpen leek hem daarvoor het meest geschikt om ervoor te zorgen dat “er van ’t jaar nog iets van [zou] komen.”

Jammer genoeg ontbreekt het vervolg van de conversatie tussen de drie tenoren, maar we kunnen wel vaststellen wie uiteindelijk het pleit had gewonnen. Op 9 juni vindt de eerste bijeenkomt van “aanpakkers” samen in het Antwerpse café: er zouden uiteindelijk 37 mensen opdagen. Veel werd er uiteindelijk niet beslist en er zouden in de maanden die volgden nog vele debatten en discussies gevoerd worden, maar de eerste steen was wel gelegd: de “aanpakkers” hadden de ‘VTBwagen’ aan het rollen gebracht.  


[1] Je kan het bericht uit De Standaard online terugvinden in de Belgicapress databank: zie https://www.belgicapress.be/index.php


Een deel van de bronnen die werden gebruikt voor dit stuk kun je hieronder raadplegen: