Ik ga op reis en ik neem mee… een zegening van Sint-Christoffel!

In de zomer van 1930 had er zich een grote menigte verzameld voor de statige trappen van de kerk in Herentals. Het was de jaarlijkse Sint-Christoffelviering, en van mijlenver hadden Vlamingen zich naar de ‘Keizerstede’ gerept om een zegening van de lokale priester te ontvangen. De heilige Christoffel is immers de patroonheilige van de reizigers, en menig toerist en VTB’er zag een zegening van de heilige als een garantie op een zorgeloze reis of fietstocht. Maar de zegening gold niet alleen voor de reizigers zelf: ook het voertuig waarmee een reiziger zich verplaatste kon gezegend worden, en menig toerist opteerde die dag in Herentals precies voor die optie.

Een autowijding in Herentals in 1928

‘Autowijdingen’, zoals het algemeen gekend was, waren immers een populaire praktijk in toeristisch Vlaanderen. Het principe was simpel: een zegening van de heilige Christoffel weerde mogelijke ongelukken, en gold als een garantie dat het voertuig geen defecten zou hebben. De praktijk was daarenboven, ondanks de naam, niet alleen gelimiteerd tot auto’s: ook fietsen konden de zegening van de heilige krijgen, en de fietser (hopelijk) van veel platte banden of kapotte fietskettingen besparen.

De foto’s hieronder tonen daarnaast dat de praktijk niet enkel populair was vóór de Tweede Wereldoorlog: de foto’s van een grote menigte die in 1952 voor de kerk van Tongeren was samengekomen om de zegening van Sint-Christoffel te ontvangen, ilustreren hoe ook in het naoorlogse Vlaanderen menig toerist of autobestuurder zich veiliger voelde nadat zijn voertuig de zegening had gekregen.

Autowijding in Tongeren in 1952

De praktijk zou uiteindelijk doorheen de tweede helft van de twintigste eeuw in ongebruik geraken. Die graduele verdwijning van de autowijdingen illustreert volgens mij twee aspecten. Enerzijds is het een voorbeeld van de secularisering van de maatschappij, waardoor traditionele rituele gebruiken of praktijken (zoals autowijdingen) gaandeweg in de vergetelheid geraakten, of een veel minder breed publiek konden aantrekken.

Anderzijds is de verdwijning van de Sint-Christoffelzegening een indicatie van de professionalisering van de toeristische sector na de Tweede Wereldoorlog. De graduele opkomst van een enorme diversiteit aan verzekeringen (reisbijstand, autoverzekering, verzekering tegen diefstal van bagage etc.) – een gevolg van de opkomst van het massatoerisme na WOII – verplaatste het vertrouwen van de toerist van de heilige naar de touroperator. Door het aanbod aan verzekeringen was het nu de reisorganisator of autodienst zelf die garant stond voor het veilige verloop van de reis, of het weren van defecten aan het voertuig. Zoals de eerdere bijdrage over Europech al illustreerde, had ook de VTB hierin een steentje bijgedragen, en nam daardoor (op zekere manier) zelf ook de mantel van de heilige Christoffel over: de zegening gebeurde nu immers niet meer in de kerk, maar in het lokale VTB-kantoor…

Wijding van fietsers en fietsen in Herentals in 1930

‘Ons zomeruur in gevaar!’

Op zaterdag 31 maart 1923 stond er een kleine aankondiging in de lokale West-Vlaamse krant De Iseghemnaar. ‘Tegenstrijdig er in de gazetten aangekondigd is geweest’, zo opende het bericht, ‘zal het zomeruur dit jaar niet toegepast worden.’ Het was dus niet nodig om de ‘horlogien’ aan te passen, en de goddelijke diensten en de Paasmis zouden op het vooropgestelde uur plaatsvinden.

Een week later werd de materie in de Izegemse krant echter diepgaander behandeld. Niet iedereen was het plan van de overheid immers genegen. De ‘uurkwestie’ had een hoop reacties losgeweekt in België, en had tegenstanders van de afschaffing van het zomeruur uit hun winterslaap gewekt.

Een van die tegenstanders was de nog maar net opgerichte VTB. Ook in De Toerist werd de ‘uurkwestie’ in de beginmaanden van 1923 uitvoerig besproken. Het uitgangspunt van de VTB verschilde echter van dat van haar medestanders. Een lezersbrief van een ‘trouwe VTB’er’ wees er op dat hoewel de kranten en tijdschriften wel op de ‘belangrijke voordelen, zowel op hygiënisch als op stoffelijk gebied (o.a. vuur en licht)’ van de invoeging van het zomeruur hadden gewezen, ze een cruciaal argument uit het oog hadden verloren: het toeristische.

Toerisme en het zomeruur gingen volgens de lezer en de VTB hand in hand. De vereniging oordeelde dat het zomeruur ‘natuurliefde en daardoor de levensvreugde’ bevorderde. Het extra uurtje bood immers ‘ideële voordelen’ aan de ‘honderdduizenden reizigers, toeristen, kampeerder etc.’ die na de werkdag – in ‘stoffige werkplaatsen of ongezonde fabrieksinrichtingen of benauwde lokalen’ – nog wilde genieten van de frisse buitenlucht. De bekommerde VTB’er ondersteunde de argumenten van zijn organisatie: afschaffing van het extra uurtje zou menig toerist doen besluiten dat het ‘de moeite niet meer waard [was] nog even buiten te wippen’, wat volgens het lid leidde tot een algemeen gebrek aan ‘toeristische ontwikkeling’.

Vanuit haar toeristische bekommernis schoot de VTB dan ook in gang: tijdens de bestuursvergadering van 18 februari 1923 had de vereniging een ‘Motie Zomeruur’ goedgekeurd. In de motie pleitte ze bij de overheid en de leden van de Kamer en de Senaat om ‘de invoering van de Zomertijd niet achterwege te laten’, en haalde ze de toeristische argumenten aan om haar motie te ondersteunen.  

Motie Zomeruur, voor de eerste keer gepubliceerd in De Toerist op 1-3-1923

Uiteindelijk wonnen de tegenstanders van de afschaffing het pleit. In het nummer van 15 april meldde de vereniging vol trots dat er was besloten om op 27 april het zomeruur in te voeren: ‘alle uurwerken moeten op die datum dus een uur worden vooruitgezet.’

In onze eigen tijd – waar de afschaffing van het zomer- of winteruur terug op de agenda staat – is dit toeristische argument voor het behoud van het extra uurtje een rariteit: het wordt immers niet meer aangehaald als reden om het zomeruur te behouden. Het is een intrigerende evolutie, omdat het volgens mij ook gekoppeld kan worden aan bredere evoluties van toerisme in de twintigste en eenentwintigste eeuw.

De eerste reden waarom het argument is verdwenen komt door de veel bredere aanwezigheid van artificieel licht in de samenleving. Een fiets- of wandeltocht in de avond loopt, in tegenstelling tot honderd jaar geleden, veel minder het risico om in complete duisternis plaats te vinden (er is wel altijd ergens een straatlantaarn in de buurt). Dit kan verbonden worden aan de impact van de auto, en de daaraan gekoppelde wegeninfrastructuur die voornamelijk in de tweede helft van de twintigste eeuw tot een ‘verlichting’ van de wegen heeft geleid, en het gemakkelijker maakte om toch nog ‘even buiten te wippen’. Honderd jaar geleden was de auto immers nog een schaars product in België.

De schrijver Marnix Gijsen (pseudoniem van Jan-Albert Goris), die in de jaren 1920 ook enkele bijdragen voor De Toerist had geschreven, had na een reis door Amerika in 1926 de aanwezigheid van de auto in de VS vergeleken met die in België. De auto was volgens Gijsen in België een ‘noodzakelijk handelsinstrument geworden zonder daarom heel en al zijn oorspronkelijk luxe-karakter te hebben verloren.’[i] De cijfers van het autogebruik in België uit 1926 bevestigen Gijsens observatie: in België was er ongeveer 1 auto per 84 inwoners, een enorme schaarste in vergelijking met de Verenigde Staten, waar 1 op 6 op dat moment al over een auto beschikte.[ii]

Foto van Marnix Gijsen in Seattle. Collectie Letterenhuis, Archief Marnix Gijsen, G994/P

Een tweede reden is dat de afstanden tussen plaatsen korter zijn geworden: de introductie van de auto en het vliegtuig als de twee belangrijkste vervoersmiddelen in toerisme in de tweede helft van de twintigste eeuw heeft het gevoel van afstand tussen vertrekplaats en eindbestemming drastisch verkleind. Toerisme is, in vergelijking met honderd jaar geleden, een globaal fenomeen geworden. Door de snelheid waarmee het mogelijk is geworden om van continent naar continent te springen is onze beleving van tijd daardoor ook veranderd: de rigiditeit van het leven in 1 specifieke tijdzone (tijdzones die voor het eerst in 1884 tijdens een internationale conferentie in Washington werden vastgelegd) is veranderd in een flexibiliteit van springen tussen verschillende tijden. Een citytrip naar Londen impliceert bijvoorbeeld een kortstondig terugdraaien van de tijd, om dan vervolgens weer een uur vooruit te springen na afloop van de trip. Een uurtje meer of minder in een bepaalde tijdzone is daardoor minder van belang geworden, omdat we sowieso al een losser begrip hebben gekregen over tijd, en het verschuiven ervan.

En ten slotte is er nog de introductie van het betaald verlof dat in 1936 voor de eerste keer een collectief recht werd. Het extra uurtje dat na de werkuren kon gebruikt worden om nog even op wandel- of fietstocht te trekken werd daardoor vervangen door een langere periode – traditioneel in de zomer – waarin mensen op vakantie trokken. Het belang van het zomeruur werd daardoor doorheen de tijd vanuit een toeristisch perspectief minder en minder relevant.

Het is vanzelfsprekend maar een klein voorbeeld, maar de motie van het zomeruur, en de toeristische argumenten die door VTB en VTB’ers werden aangehaald voor het behoud ervan, illustreren volgens mij op mooie wijze op hoeveel verschillende vlakken toerisme (en de VTB) uiteindelijk een rol hebben gespeeld, en nog steeds een invloed kunnen hebben.


[i] M. Gijsen, Ontdek Amerika (Antwerpen: 1930, 4e druk): 85.

[ii] A. Persyn, ‘Politie van het vervoer en van het verkeer’, De Toerist 5:11 (1-11-1926): 359-360.

Ik ga op reis en ik neem mee…een VTB-zakapotheek!

Tijdens de algemene bestuursvergadering van 14 september 1924 maakte Jozef Goossenaerts, op dat moment nog niet zo lang lid van het bestuur van de jonge toeristenvereniging, een ‘belangwekkende mededeling’. De mededeling was een logisch gevolg van de gedwongen carrièreswitch die Goossenaerts na de Eerste Wereldoorlog had moeten maken, nadat hij bericht had gekregen dat hij zijn post als leerkracht naast zich moest neerleggen.  

Na zijn ontslag was de ex-leerkracht en filoloog immers in de farmaceutische wereld terechtgekomen, om het uiteindelijk te schoppen tot beheerder van de in 1924 in Gent net opgerichte ‘Medisch-Pharmaceutische Centrale’ (MPC) die zich inzette om de levering van farmaceutische producten vanuit Frankrijk te verminderen en vooral in lokale handen te centraliseren.

Vanuit zijn nieuwe positie zag Goossenaerts een toekomstig geslaagd huwelijk tussen de VTB en de MPC, en stelde op die septembervergadering voor dat de VTB – ‘mits principieel akkoord van het Bestuur van den VTB’ – een eigen ‘V.T.B.-zak-apotheek’ ter beschikking zou stellen aan de leden van de vereniging. Goossenaerts stelde daarenboven ook nog voor dat het ‘noodzakelijk’ was om een ‘gebruiksaanwijzing toe te voegen’ aan de zakapotheek, en ‘wellicht ook beknopte hygiënische leefregels voor de toerist’.  

Goossenaerts’ voorstel werd ‘eenstemmig’ door het bestuur goedgekeurd: ‘al de aanwezigen [vonden] het gedacht uitstekend’, en spoorden Goossenaerts aan om het idee van een VTB-zakapotheek zo snel mogelijk te realiseren.

De foto hieronder is een voorbeeld van de VTB-zakapotheek die de vereniging uiteindelijk aan haar leden zou verkopen. De foto zelf is intrigerend omdat ze enkele interessante elementen onthult die de grote lijnen van de geschiedenis van de VTB tijdens het interbellum zeer tastbaar maken.

De VTB-Zakapotheek die op voorstel van Goossenaerts in de jaren 1920 aan de leden wordt verkocht

Zo zijn de medicijnen toegevoegd aan de zakapotheek – behalve één pakje van ‘Englisch Heft-Plaster’ – allemaal voorzien van Nederlandse bijschriften en beschrijvingen. Het was, zoals de oprichting van de Medisch-Pharmaceutische Centrale in Gent ook illustreerde, immers nog geen vanzelfsprekendheid dat medicijnen voorzien waren van Nederlandse teksten. Het is daarom een klein maar opvallend voorbeeld van hoe tijdens het interbellum de VTB, net zoals zoveel andere verenigingen (zoals het Vlaamse Kruis, of de later door Goossenaerts opgerichte Vereniging voor Wetenschap), probeerde om het Nederlands in zoveel mogelijk culturele en wetenschappelijke velden als omgangstaal te verstevigen. Het is een mooi voorbeeld van hoe de VTB de ‘V’ in haar logo en naam kracht probeerde bij te zetten.

Daarnaast is de zakapotheek een fascinerende illustratie van de opkomst van de moderne toeristische infrastructuur: de toevoeging van een ‘gebruiksaanwijzing’ bij het gebruik en nut van elk medicijn (zo is er o.m. een ‘zalf tegen zweetvoeten’, zijn de ‘muntpastillen zeer sterk’ en voornamelijk nuttig tegen ‘maag, of buikkrampen’, en worden er richtlijnen voorzien in het geval van ‘vergiftiging’) illustreert de kerngedachte van de VTB tijdens deze periode om de Vlaamse burger te ‘leren reizen’. Het toont hoe reizen – en de medische kwaaltjes die mogelijk tijdens het reizen kunnen opduiken (zoals zweetvoeten of een allergie) – nog geen vanzelfsprekendheid was in het Vlaamse toeristische landschap van tussen de twee oorlogen. Het is een opvallend contrast met de huidige maatschappij, waar de kleine zakapotheek standaard een van de eerste zaken is die wordt toegevoegd aan de reiskoffer.

Ten slotte is de zakapotheek ook een testament van de toewijding en inspanning van de vele VTB’ers die de vereniging mee kleur hebben gegeven. De zakapotheek is immers voorzien van medicijnen uit de apothekerskast van Jozef (Jos) Joos, de Wilrijkse apotheker die zich al tijdens de eerste vergadering in de Zingende Molens in 1921 als lid had ingeschreven, en uiteindelijk na de Tweede Wereldoorlog voor een korte periode als voorzitter aan het stuur van de vereniging zou staan. Het is een mooie illustratie van de toewijding die zoveel VTB’ers doorheen de laatste eeuw overhadden om de toeristische vereniging tot een succes te maken.

Sta dus zeker eventjes stil bij de lange en fascinerende geschiedenis van de zakapotheek, de volgende keer als je ze vanzelfsprekend toevoegt aan je valies!

1926: een jaar van ‘hoopvolle verwachtingen’ geplaagd door ‘kinderziektes’

Nummer 19 van het vijfde volume van het VTB-bondsblad (1 oktober 1926) opende met een opvallende mededeling van hoofdredacteur Stan Leurs aan de abonnees: ‘Na geruimen tijd geschorst te zijn geweest, – euvel waarvoor de Bond niet aansprakelijk kan gesteld worden! – verschijnt ons orgaan met dit nummer opnieuw.’ Leurs maakte vervolgens de belofte aan de lezende leden dat ‘van nu af zal het stipt, op de gewone data, de leden bereiken.’[1]

Nummer 19 – en Leurs’ belofte – moeten als een aangename verrassing in de bus van de VTB’ers zijn gevallen: de leden hadden immers een lange tijd op een nieuw nummer van het tijdschrift moeten wachten, aangezien nrs.14 tot en met 18 niet tot bij de drukker waren geraakt, en dus ook nooit zijn gepubliceerd.[2]

Maar dat was niet het enige wat in het oog sprong. Het bondsblad had ook een nieuwe titel gekregen, en werd vanaf heden niet meer gepubliceerd als De Toerist, maar Toerisme. Het hoofdbestuur benadrukte daarenboven haar drang om het bondsblad in een nieuw jasje te steken door een prijskamp uit te schrijven voor tekenaars om een nieuw omslaghoofd voor het blad uit te werken (de winnaar kreeg een prijs van 250 frank). Het winnende voorstel dat voor de eerste keer op het voorblad van het tijdschrift verscheen in januari 1927 zou uiteindelijk maar vijf jaar op de eerste pagina van het bondsblad prijken: het werd in 1932 vervangen door een nieuwe vormgeving om het tienjarig bestaan van de bond in de kijker te zetten, en het tijdschrift er (althans volgens de redactie) ‘frisscher [te doen] uitzien’.

Het winnende voorstel voor een nieuw omslaghoofd zou voor de eerste keer op 1-1-1927 bovenaan Toerisme prijken.

Naast de prijsvraag voor tekenaars richtte de redactie nog een tweede vraag in die een tipje van de sluier oplicht waarom de VTB precies in 1926 een vernieuwingsactie van haar tijdschrift in gang had gezet. De vereniging riep immers ook drukkers op om voorstellen in te dienen, aangezien het bestuur voor ogen had om ‘het drukken van Toerisme voor een bepaalde tijdsspanne’ vast toe te wijzen aan een bepaalde drukkerij.[3]

De zoektocht naar een nieuwe drukker kwam niet uit de lucht gevallen. Het jarenlange dispuut tussen de VTB en drukkerij Liberas (met de steeds terugkerende klacht dat de uitgave van het blad onverzorgd was en geregeld te laat in de bus van de leden viel) had uiteindelijk geleid tot een rechtszaak tussen de twee, wat ook de reden was voor de tijdelijke opschorting van het tijdschrift. De groeiende vete tussen de drukker en de VTB had bovendien een jaar eerder al gezorgd voor de exit van een van de drie stichtende leden van de VTB en beheerder van Liberas, Chris de Does, uit het bestuur van de organisatie.

Het juridisch dispuut tussen De Does en de VTB in 1926 (uiteindelijk maar een kleine voetnoot in de lange geschiedenis van de bond) is emblematisch voor de beginjaren van de toeristische vereniging. Want ondanks de exponentiële groei van het ledenaantal was de organisatie van de vereniging in de beginjaren veelal chaotisch verlopen. Archiefdoos A154 (die de (algemene) bestuursvergaderingen tussen 1922 en 1932 bewaart) schept een beeld van een vereniging die in haar beginjaren nog volop op zoek was naar een identiteit: Jozef Goossenaerts kantte zich bijvoorbeeld tegen het idee om veel (bonds)reizen in te richten, omdat, zo oordeelde hij, ‘het nieuwtje van deze gelegenheden na zekere tijd niet de noodige aantrekkelijkheid zal behouden.’[4]

Naast interne discussies over hoe precies de VTB haar kerntaken zou uitvoeren – wat precies betekende de ‘T’ in VTB? – toont de archiefdoos bovenal de verschillende moeilijkheden waarmee de organisatie in het begin werd geconfronteerd. De vele ambities die de VTB bij haar ontstaan had uitgesproken – o.m. natuurbescherming, bondsreizen, en de uitbouw van een toeristische infrastructuur in Vlaanderen – bleken in de praktijk moeilijker van de grond te komen dan initieel gedacht. Het leidde tot een constante stoelendans in het bestuur, met de vaak terugkomende klacht dat de hoeveelheid uren die aan de VTB besteed moest worden niet te rijmen viel met andere bezigheden: velen hadden blijkbaar onderschat hoe intensief de uitbouw van een Vlaamse toeristische organisatie was. Daarenboven had de exponentiële groei van het ledenaantal al snel tot een tekort aan werkkrachten geleid. De eerste secretaris van de VTB, Frans Luyten, kaartte geregeld de problematiek van zowel personeels- als ruimtetekort aan: de enorme ‘toevloed van nieuwe leden’ betekende dat ‘de briefwisseling in verhouding steeg’ en Luyten en het secretariaat geregeld ‘buitengewoon zware maanden’ hadden meegemaakt. Het moet daarom niet verbazen dat Luyten zich tijdens de vergaderingen meermaals liet ontvallen dat hij het liefst zijn post naast zich wilde neerleggen (zo meldde de bestuursvergadering al in 1922 dat de ‘secretaris [Luyten] wenscht bepaald ontslag te nemen’).[5]

Maar ondanks de perikelen binnenshuis toonde de VTB zich in deze periode steeds ambitieus naar de buitenwereld en stelde ze haar doelen nog eens op scherp. Met veel fanfare kondigde de vereniging in 1924 de oprichting (onder ‘bescherming van de VTB’) van de allereerste Vlaamse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer (in de Kempen) aan.[6] Een jaar later maakte ze plannen op om verschillende commissies op te richten (waaronder ‘monumentenzorg’ en ‘folklore’), en stelde ze in het bestuur haar ambitieus plan voor om het gebrek aan werkruimte op te lossen: de aankoop van een eigen ‘VTB-huis’ via de inrichting van een steunfonds. Door de hoeveelheid van vooruitzichten en plannen kondigde het jaar 1926 zichzelf volgens Stan Leurs daarom aan als een jaar vol ‘hoopvolle verwachtingen’ dat de voorgaande perikelen zou verhelpen.

Het draaide uiteindelijk anders uit: het was niet het jaar van ‘hoopvolle verwachtingen’ zoals Leurs eerst beoogde, maar van ‘kinderziekte’. De vereniging verloor eerst en vooral haar ‘koenen werker […] die dagen en nachten offerde voor het heil en bloei van den Bond’: Luyten had in 1926 genoeg gezien, en diende zijn ontslag in als algemene secretaris. De verschillende commissies kwamen zeer traag van de grond (enkel ‘monumentenzorg’, in 1925 opgericht, leek een snelle vlucht te nemen). De bondsreizen die waren georganiseerd – en gepromoot via de fascinerende brochure Houdt u van reizen? (mogelijk de eerste reisbrochure ooit door de VTB gepubliceerd) – hadden de vereniging met een financiële kater opgezadeld. Daarenboven hadden de ambities van de VTB een deuk gekregen door de vermindering van de provinciale subsidies, en had de aankoop van een eigen ‘VTB-huis’ mede daardoor vertraging opgelopen. En dit alles werd ten slotte nog overschaduwd door het juridisch dispuut tussen de vereniging en haar uitgeverij, waardoor het bondsblad, zoals eerder aangehaald, tijdelijk opgeschorst moest worden.

Ondanks de tegenvallende resultaten vormt het ‘jaar van de kinderziekte’ een spilmoment in de vroege geschiedenis van de VTB: de perikelen van de eerste jaren – die uiteindelijk hun hoogtepunt kenden in 1926 – leidden immers tot een hervorming van het bestuur van de vereniging. Op basis van de voorgaande ervaringen werd er in 1927 geoordeeld dat een hervorming en centralisatie van zowel het algemeen als het dagelijkse bestuur essentieel was. Op aangeven van toekomstig voorzitter Jozef van Overstraeten werd de stoelendans van het algemeen bestuur aangepakt door niet enkel ‘vooraanstaande Vlamingen’ (die, zoals de eerste jaren toonden, niet altijd tijd of belangstelling hadden) toe te laten, maar ook ‘personen die reeds een tijdje aktief medewerker zijn en dus bewezen hebben op hun plaats te zijn in de [algemene bondsleiding].’[7] Op die manier ontstond er een nieuwe sociale mobiliteit in de vereniging, hetgeen ijverige of ambitieuze lokale vertegenwoordigers kon aanmoedigen of inspireren, aangezien er een mogelijke positie in het nationale bestuur in het verschiet lag.

Daarnaast werden de bevoegdheden van de verschillende leden van het dagelijkse bestuur geherdefinieerd en op scherp gezet. Een opvallende evolutie hierin was de hervorming van het statuut van de algemene secretaris (na het ontslag van Luyten in 1926 had Leurs de positie overgenomen), die een belangrijkere rol toebedeeld kreeg: hij werd ‘verantwoordelijk voor alle gedrukte documenten uitgaande van de bond’, werd ‘leider van het personeel’, kreeg het ‘archief, de bibliotheek en de documentatie’ van de vereniging in handen, en werd op dezelfde voet geplaatst als de voorzitter als ‘vertegenwoordiger’ van de VTB. De algemene secretaris werd daardoor een van de belangrijkste (en machtigste) figuren in de VTB, en zorgde ervoor dat het dagelijkse bestuur meer gecentraliseerd was geworden.

Op lange termijn zouden deze hervormingen nog geregeld tot wrevel en botsingen leidden tussen het personeel/leden en het dagelijkse bestuur, maar op korte termijn (althans voor de rest van de tussenoorlogse periode) leek het euvel van de ‘kinderziekte’ verholpen te zijn geweest. Dit werd misschien het mooiste in de verf gezet door de totstandkoming van het eigen ‘VTB-huis’: op het einde van 1926 was de vereniging er immers in geslaagd om een pand aan te kopen op de Paardenmarkt nr.70: het ‘VTB-huis’ zou voor een tiental jaar (tot ze verhuisden naar haar gekende locatie op de Sint-Jacobsmarkt) dé plaats worden van waaruit de VTB haar ambitieuze doelen in de realiteit wilde omzetten.

Gelet op de verschillende omstandigheden en moeilijkheden die in 1926 samenkwamen, vormt het ‘jaar van de kinderziekte’ volgens mij een cruciaal moment in de vroege geschiedenis van de VTB. Enerzijds legt het de perikelen van de beginjaren bloot, maar anderzijds geeft het ook een verklaring voor de hervormingen in het bestuur die voor jaar en dag het reilen en zeilen van de toeristische vereniging zouden bepalen.  


[1] Stan Leurs, ‘Aan de leden’, Toerisme 5/19 (1-10-1926), p.305.

[2] Het opschorten van het bondsblad in 1926 is echter geen unicum in de lange geschiedenis van de VTB: het zou zich nog tweemaal voordoen in 1940 en 1944.

[3] S.n., ‘Prijsvraag aan de drukkers’, Toerisme 5/22 (15-11-1926), p.385.

[4] A154, Bestuursvergadering 14-9-1924

[5] A154, Bestuursvergadering

[6] Kempenaar, ‘Stichting van een Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer in de Kempen onder bescherming van V.T.B’ De Toerist 3/23 (1-12-1924), p.210-211

[7] A154, Algemene Bestuursvergadering 9-10-1927

Een deel van de bronnen die werden gebruikt voor dit stuk kun je hieronder raadplegen:

‘Vakantiepech? Ik bel Europech’

De jaren 1960 waren gekenmerkt door een exponentiële toename van het autogebruik in België. In 1950 waren er in België 273.599 persoonswagens geregistreerd, maar dit nummer zou in de volgende twee decennia bijna verachtvoudigen tot 2.059.616 in 1970.[1]

De doorbraak van de auto in naoorlogs België had vanzelfsprekend ook gevolgen voor de vereniging. De auto werd immers hét voertuig voor zowel dagelijks gebruik als toerisme. VTB-VAB begon bijgevolg ook steeds meer activiteiten te ontwikkelen gericht op het autogebruik, met de lancering van haar professionele pechverhelpingsdienst ‘Wacht op de Weg’ in 1969 als meest prominente voorbeeld.[2]

De pechverhelping kreeg daarenboven vanaf 1974 ook een Europese dimensie: het toerisme was immers ingrijpend veranderd door de intrede van de auto, en vakanties met de eigen wagen werden in de periode vanaf de jaren 1960-1970 geleidelijk aan de norm.

Een toename van vakanties met de eigen wagen in het buitenland bracht echter ook nieuwe risico’s met zich mee: ongevallen met de auto, panne, lekke banden etc. werden vanaf heden een vaak terugkerend probleem voor de toeristische autogrebruiker.

VTB-VAB zou al snel een antwoord bieden aan de nieuwe toeristische realiteit met de introductie van ‘Europech’ in 1974, een verzekering die bijstand in het buitenland garandeerde. Europech was een onmiddellijk succes voor de vereniging: de verkoop van de reisbijstandsverzekering was in drie jaar tijd verzesvoudigd, mede dankzij de verkoop van de polis in niet alleen de VTB-VAB kantoren, maar ook de filialen van de Kredietbank.

De introductie en het snelle succes van ‘Europech’ zijn illustratief voor de veranderende toeristische context vanaf de jaren 1960, wanneer de nadruk geleidelijk aan meer op de auto, en de daaraan gekoppelde individualisering van de toerist kwam te liggen. De foto’s hieronder illustreren nog enkele incidenten in het buitenland, met onder meer het wegtakelen van een beschadigde auto in Zagreb.  


[1]https://statbel.fgov.be/nl/themas/mobiliteit/verkeer/voertuigenpark

[2] Zie Sophie Bossaert, ‘Snel weer op weg. Het verleden van de Vlaamse Automobilistenbond (VAB’, in: WT 79:2 (2020), 170-180.

“Langs en over de Taalgrens” (Deel 1)

Zondagochtend. Het is voor velen onder ons een standaard ritueel geworden om in het ochtendgloren van de laatste weekdag de benen uit te strekken op de fiets. Ikzelf heb een recente zondag aangewend om ook nog eens op het ‘stalen ros’ te springen. De aanzet: het herontdekken van een tocht die Ashaverus (een pseudoniem van VTB-medestichter Stan Leurs) 99 jaar geleden in het tweede nummer van De Toerist had beschreven: een tocht ‘langs en over de taalgrens’ van Leuven tot Jodoigne (Geldenaken), met onderweg natuurlijk een hoop interessante stopplaatsen. Met frisse moed en benen trok ik het pad op, en liet me begeleiden door de pen van Ashaverus.  

Onze reisgids begon zijn beschrijving met een tip:

De fietsers welke het mooie van Vlaanderen in al zijn hoekjes en kanten willen genieten zouden verkeerd doen zich uitsluitend aan de breede rijksbaan te houden; ze moeten er integendeel wat voor over hebben om de min comfortabele en in het Zuiden des lands sterk hellende en dellende gemeentesteenwegen te berijden, ook het zelfs wel eens aandurven zich met het rijwiel op een ongekasseiden weg te wagen ‘op risico’ van te moeten afstijgen of van erger nog door modder en zand te moeten ploeteren.

De tip sluit zich naadloos aan bij het mantra van de VTB: om ‘echt’ te ontdekken moet je risico’s durven nemen. Het “mooie van Vlaanderen in al zijn hoekjes en kanten” vereist dat de fietser van het standaard pad – de “breede rijksbaan” – durft afdwalen. Het resultaat, ondanks de beproevingen van “hellende en dellende” en “ongekasseide” wegen, en “modder en zand”, stelt niet teleur: het is immers in de “hoekjes” dat je Ashaverus’ onontdekte schatten zult vinden.

Mijn beproevingen waren echter anders dan die beschreven door mijn reisgids. “Ongekasseide” wegen zijn immers ‘gebetonneerde’ banen geworden, “modder en zand” zijn het speelveld van de mountainbiker geworden, en de “hellende en dellende” gemeentesteenwegen ogen nu vlakker door de overvloed aan versnellingen op mijn fiets. Mijn beproevingen daarentegen waren veeleer technologisch van aard: is de gsm wel voldoende opgeladen, vindt mijn sporthorloge wel de GPS om de route te traceren, etc.?

Sommige zaken zijn echter tijdloos: “een flinke rem” is en blijft geen “overbodig tuig”, en een “paar flink getrainde benen” zijn een cruciale voorwaarde om “zonder te veel zuchten of blazen de hoogten op te klimmen”. Met al deze inlichtingen en voorbodes in gedachte (en de nodige voeding voor onderweg) sprong ik uiteindelijk op de fiets.

Onze tocht zelf start aan de Parkpoort (de “Perksche Poort”) in Leuven: via het “viaduct van den spoorweg” en de nog steeds “tamelijk sterk en dan weer eens zachter[e]” beklimming die erop volgt bevinden we ons spoedig op de baan richting Bierbeek. In de tijd van onze reisgids was het nog het “smalle, niet officieele fietspaadje”, nu is het toepasselijk gekend als de ‘Geldenaaksebaan’, de geplaveide brede baan die ons heel de weg zal begeleiden naar onze eindbestemming.

De omgeving rond de hernieuwde baan lijkt op het eerste zicht de tand des tijds te hebben doorstaan: we fietsen immers nog steeds tussen enerzijds de “beboschte hoogten van het Hageland” en het “meer eentonige, weinig beboschte Haspengouwsch plattelandschap” anderzijds. Andere kenmerken zijn verloren geraakt: de huizen langs de baan die deel uitmaakten van Haasrode, “een parochie onder Bierbeek”, zijn vervangen door bedrijfsgebouwen en tankstations, en de stilte van de beboste Hagenlandse hoogtes wordt veeleer verstoord door de autosnelweg die er doorheen raast.

Een beeld van het “meer eentonige, weinig beboschte Haspengouwsche plattelandschap”. Foto Kas Swerts

Na een aangenaam vervolg (de baan is inderdaad, zoals onze reisgids aangeeft, “meer dalend dan klimmend”) bereiken we spoedig Bierbeek, de eerste plaats waar we eventjes afstijgen. Ashaverus raadt ons immers aan halt te houden aan de kerk, en het beeld van het koor dat hij toevoegt aan zijn wegbeschrijving kunnen we gemakkelijk terugvinden. De kerk lijkt nu nog meer dan in de tijd van Ashaverus een verborgen schat te zijn geworden (de ommuring helpt ook niet). Het oude gebouw heeft immers een nieuwe uitdager gekregen als lokaal ankerpunt: het nabijgelegen voetbalterrein met haar enorme verlichtingspalen illustreert dat de kerktoren niet langer de enige constructie is die als een referentiepunt boven de huizen rijst.

Het volgend stuk van de tocht bestaat voornamelijk uit “zuchten en blazen”: “we hebben”, zoals Ashaverus aangeeft, “nogal flink te klimmen om het hooge land weer te bereiken”. De “[merkwaardig] mooie hoeve” in Opvelp, “een aardig voorbeeld van het Haspengouwsche [hoeve]type”, groet ons op de weg naar Meldert. Hoeves hebben doorheen de jaren wel een andere (sociale) status gekregen: waar hoeves vroeger nog een toonbeeld van soberheid waren, zijn ze nu veelal een ideaaltype van rijkdom.

Het vele klimwerk rond de omgeving van de vallei van de Velpe werpt uiteindelijk wel haar vruchten af: op het hoogste punt in de omgeving zien we immers in de verte onze bestemming al liggen: de Sint-Ermelindis kerk van Meldert. De kerk staat, net zoals 99 jaar geleden, nog altijd in het centrum van het dorpje, en eist alle aandacht op (wat niet moet verbazen, het is een mooie kerk).

De kerk lijkt er doorheen de jaren wel een nieuwe functie bij te hebben gekregen: de twee plakkaten met informatie en wandelroutes (‘Getevallei’ en ‘Hoegaarden Bierdorp’) illustreren dat de kerk een toeristische ‘helpdesk’ of infopunt is geworden: een wandel- of fietslustige toerist kan zich probleemloos beroepen op de informatie aan de kerk om een aangename tocht uit te stippelen. Het is een toonbeeld van de invloed die de uitdijende toeristische infrastructuur in de laatste honderd jaar heeft gehad.

Toerisme is immers alomtegenwoordig geworden, het heeft haar weg gevonden tot in de kleinste “hoekjes en kanten”. De aanwezigheid van toerisme in het landschap (via plakkaten en dergelijke) is een fascinerende evolutie: het is een logische uitbreiding van de teksten die Ashaverus (en met hem zoveel andere VTB’ers) doorheen de jaren hebben geschreven.

Op dit punt moet ik echter bekennen dat ik niet aandachtig had geluisterd naar Ashaverus’ waarschuwing: mijn “flink getrainde benen” begonnen het klimwerk te voelen, en ik besloot om mijn tocht in te korten. Maar geen nood: na een uitgebreide rustpauze (en nog wat extra trainingssessies) zal ik de tocht verderzetten, richting Jodoigne.

Fietstocht ter ere van het 100.000e VTB-lid


Enkele maanden na de stichting van de VTB was de secretaris, Frans Luyten, met verstomming geslagen: “hetgeen nu gebeurt, hadden wij nooit durven verwachten; dat onze jeugdige plant met zulke ongemeene kracht zou opschieten, wie had dat ooit gedacht?”[1]

In 1 jaar tijd was het ledenaantal van de vereniging al uitgebreid tot over 5000 leden, en de exponentiële groei van de “jeugdige plant” zou de volgende jaren niet afzwakken. Het duurde dan ook niet lang voordat de vereniging haar 100.000e lid mocht registreren. Vanzelfsprekend vierde de vereniging deze gelegenheid op grootse wijze, en organiseerde ze in 1931 verschillende festiviteiten. De beelden hier (en op de voorpagina van het platform) zijn ook afkomstig van die festiviteiten: het was de fietstocht die de feestvierders na het uitgebreid menu ondernamen richting het Rivierenhof in Deurne.

De keuze om met de feeststoet naar het Rivierenhof te gaan was geen verrassing: de plaats was in een korte tijd immers uitgegroeid tot een van dé trekpleisters in de groot-Antwerpse omgeving. De VTB had echter al van bij de aanvang een oog op het potentieel van het Rivierenhof: in 1923 berichtte ze in De Toerist over de plannen om het domein “toegankelijk [te stellen] voor het publiek”. Hoewel ze initieel nog sceptisch stond tegenover de aankondiging – “wij opperden de vrees dat dit een Aprilvisch zou zijn” – was ze optimistisch over de werken die werden uitgevoerd: “Men is volop bezig met makadambestrating van de groote toegangsbaan. Twee tennisvelden zijn in aanleg achter het kasteel, dat in spijshuis wordt omgezet. Een paar paviljoenen worden in drankhuisjes veranderd.”[2] De VTB was dan ook hoopvol dat “Groot-Antwerpen zich [deze lente nog] in een mooi park te meer [zal] mogen verheugen.”

De beelden acht jaar later bewijzen dat de VTB nog niet van gedachte was veranderd.


[1] F. Luyten, ‘Vooruit!’, De Toerist 1:2 (1922): 30.

[2] S.n., ‘Het Rivierenhof’, De Toerist 2:7 (1923): 105.

9 juni 1921: een groep “aanpakkers” komt samen in de Zingende Molens

Het klinkt misschien als een platitude, maar historische gebeurtenissen vinden zelden plaats op ‘historische’ locaties. Het startschot voor de totstandkoming van de VTB werd dan ook niet gegeven in een koninklijke zaal, schouwburg of andere grootse locatie, maar in de gemoedelijke gezelligheid van een lokaal Antwerps café op de hoek van het Statieplein (het huidige Koningin Astridplein) en de Gemeentestraat, De Zingende Molens.

Het begon allemaal met een klein berichtje dat op 4 juni 1921 in De Standaard werd gepubliceerd: de oproep “Naar een Vlaamschen Toeristenbond” deelde aan het Vlaamse leespubliek mee dat een “kleine kern van overtuigden – een drietal” de taak op zich had genomen om een Vlaamse toeristische vereniging te stichten. Het riep geïnteresseerden op om vijf dagen later te verzamelen in De Zingende Molens, en stelde een simpel doel voorop: “dat ieder die meent, op welke wijze en in welke mate dan ook, te kunnen bijdragen tot de oprichting van een V.T.B. zich dus nog heden aanmelde en ditmaal eens niet zegge: ‘dat het zonder hem ook wel zal gaan’.”[1]

De drie tenoren, de jonge ingenieur (Con)Stan(t) Leurs, de in Brussel wonende Nederlandse uitgever Chris de Does, en de Antwerpse stadsbediende Frits Henderickx, hadden voor hun oproep in De Standaard al uitvoerig de plannen besproken, en een deel van die conversaties wordt nog altijd bewaard in de collectie, in de toepasselijk genummerde archiefdoos A1.

In het bijzonder krijgen we ook een blik op de acties die Frits Henderickx – de, zoals we later zullen zien, ‘pessimist’ van het drietal – enkele jaren voordien al had ondernomen om een toeristische vereniging te stichten. Henderickx was immers lid van de Antwerpse tak van het Vlaams-nationalistische Vlaamsche Front (Frontpartij), en zag in de eerste plaats heil om in de schoot van de partij een toeristische afdeling op te richten.

De partij was het plan genegen, en op 27 juni 1919 vond een bureelvergadering plaats die zich boog over de materie en het voorstel van Henderickx goedkeurde. Met frisse moed wendde Henderickx zich tot zijn taak, maar kreeg al snel een slag van de hamer: de twee fietstochten die hij inrichtte om het veld af te toetsen brachten zo goed als niemand op de been. Daarenboven zorgde zijn aankomende dienstplicht ervoor dat hij spoedig alle plannen moest staken.

Henderickx’s mislukte poging had echter de kiem gelegd voor later succes: de bureelvergadering maakte immers ook melding van een bericht dat op 29 juni in het partijblad Ons Vaderland gepubliceerd zou worden. De oproep herinnerde de lezer aan voorgaande (gefaalde) pogingen om een Vlaamse toeristische vereniging te stichten, en zag het vooral als een noodzaak om zich te keren tegen de invloed van “den franskiljonschen Touring Club de Belgique”. Het bericht eindige zijn pleidooi voor een stichting met de oproep dat “wie de noodzakelijkheid van de oprichting van den Vlaamschen Wielrijders en Toeristenbond gevoelt en mede wil werken aan dit schoone doel, zende zijn betuiging van instemming aan den Boekhandel ‘Libertas’.”

Hoewel Henderickx kritisch stond tegenover het bericht – hij meende immers dat voorstellen die de Touring Club de Belgique (TCB) als “hoeksteen van hun betoog” namen, gedoemd waren te mislukken – stuurde hij op 1 juli een berichtje naar de boekhandel, en stelde zich niet veel later (niet toevallig na de twee mislukte fietstochten) “gaarne bereid naar mijn vermogen bij te dragen tot de werkzaamheden.” De eerste link met zijn medetenor, Chris de Does, was daarmee tot stand gekomen. De briefwisseling zou echter van korte duur zijn: Henderickx’s dienstplicht stopte al snel de conversatie tussen de twee.

Twee jaar lang zou er radiostilte zijn. De Does was in die tijd wel in contact gekomen met de derde tenor – Stan Leurs – maar, zoals hij later zelf toegaf in een brief aan Henderickx, concrete plannen hadden ze nog niet gevormd.

Na 13 april 1921 zou alles echter in een stroomversnelling komen. De voorzitter van het Vlaamsche Front, Herman Van Puymbroeck, meldde op die dag aan Henderickx dat hij een uitvoerige conversatie met Leurs had gehad over toerisme, en daarbij ook de naam van Henderickx had laten vallen. Van Puymbroeck – die later ook zou toetreden tot de VTB – spoorde zijn partijgenoot aan om contact op te nemen met Leurs om te zien wat er allemaal gedaan kon worden.

Henderickx sprong onmiddellijk in actie: hij contacteerde Leurs op 18 april, en had negen dagen later al een afspraak met de ingenieur om van gedachten te wisselen. Niet veel later zond Henderickx ook een berichtje naar De Does, en deed hem herinneren aan de “paar brieven [die ik] met u heb gewisseld” twee jaar eerder. De Does was de brieven duidelijk niet vergeten: hij sloot zich direct aan bij het tweetal. Hoewel het maar een kleine groep was, was het optimisme om de stichting van een toeristenbond tot een goed einde te brengen hoog. Zo ook bij Henderickx: “Staan we dus voorlopig enkel met z’n drieën, dan maar met z’n drieën voorwaarts!”

Er volgde echter al snel een discussie over wat de volgende stap moest zijn: Henderickx was een voorstander om achter gesloten deuren het werk rustig verder te zetten. Hij meende immers dat er “vooreerst niet meer mensen bij het opzet betrokken moeten zijn, dan nodig om daadwerkelijk de voorbereidende organisatie te beramen en tot stand te brengen. Als de Vl.T.B. er staat, dan eerst moet tot het publiek gegaan, eerder niet.” Of anders geformuleerd: “Presies zoals men tot z’n gasten zegt: Treedt binnen, dames en heren, de tafel is gedekt.”

De Does aan de andere kant was wél een voorstander van de publieke route: hij meende dat het nodig was om zoveel mogelijk “’aanpakkers’ bij elkaar te krijgen en de wagen aan het rollen te brengen. Het wordt nu ook tijd!”. Een bijeenkomst in Antwerpen leek hem daarvoor het meest geschikt om ervoor te zorgen dat “er van ’t jaar nog iets van [zou] komen.”

Jammer genoeg ontbreekt het vervolg van de conversatie tussen de drie tenoren, maar we kunnen wel vaststellen wie uiteindelijk het pleit had gewonnen. Op 9 juni vindt de eerste bijeenkomt van “aanpakkers” samen in het Antwerpse café: er zouden uiteindelijk 37 mensen opdagen. Veel werd er uiteindelijk niet beslist en er zouden in de maanden die volgden nog vele debatten en discussies gevoerd worden, maar de eerste steen was wel gelegd: de “aanpakkers” hadden de ‘VTBwagen’ aan het rollen gebracht.  


[1] Je kan het bericht uit De Standaard online terugvinden in de Belgicapress databank: zie https://www.belgicapress.be/index.php


Een deel van de bronnen die werden gebruikt voor dit stuk kun je hieronder raadplegen: